Zonnedauw Sluiswachter Jo Anker Zon in de polder Stolwijker Schutsluis

Over Stolwijkersluis en haar bewoners zijn diverse anekdotes vastgelegd. Hebt u zelf nog een anekdote, vul dan het contactformulier in en leg uw anekdote daarmee vast, zodat het op de website kan worden geplaatst.

Arie (Aai) Hoogendoorn

Arie (Aai) Hoogendoorn, geboren op 17 maart 1894 in Stolwijk en op 96-jarige leeftijd overleden, ook in Stolwijk. Hij trouwde toen hij 44 was met de 40-jarige Annigje Honkoop. Het verhaal gaat dat Arie Annigje had 'gekaapt' van kroegbaas Cornelis (Kees) Verkaaik, die een café had boven aan de stoep in Stolwijkersluis, aan de linkerkant vanaf Stolwijkersluis gezien. Annigje, de vrouw van Kees, bediende regelmatig in het café. Zij hielp in een kort rokje vrolijk de stamgasten, waaronder Aai. Aai werd verliefd op haar en heeft de getrouwde vrouw meegenomen. Uiteraard was Kees Verkaaik woedend en hij dreigde kaper Aai met zijn geweer dood te schieten. Aai is nooit meer in het café geweest en hij durfde zelfs niet rechtstreeks van Beijerse (waar hij veehandelaar was) naar Gouda te gaan via de stoep van Stolwijkersluis; hij reed helemaal om via de Bilwijkerweg en Haastrecht.

Bron: Parenteel van Heijndrick Wouterse Smit

Matthijs Melkert


Bekend is natuurlijk, dat de politicus Ad Melkert een zoon is van een kapper uit Gouderak, de op 3 januari 2006 overleden Wilhelmus Fredericus Melkert. Minder bekend is dat ook zijn grootvader Adrianus, overgrootvader Wilhelmus en betovergrootvader Arie kappers (of barbiers) waren. Zij oefenden hun beroep uit in Gouda resp. in de Keizerstraat, in de Kuiperstraat, in de Peperstraat en op de Raam.

Een nog eerdere voorvader, de 46-jarige tapper Matthijs Melkert (±1701-1762), kwam op 1 mei 1747 in grote problemen toen een zekere Reijnier Erkens zijn zaak op stelten zette, de inboedel vernielde en Matthijs Melkert en zijn vrouw en zijn bediende ernstig bedreigde. Matthijs Melkert, alias Tijsje de speelman, was een kroeghouder in Stolwijkersluis. In de bewuste nacht van 1 mei 1747 kwam er een knaap zijn tapperij binnen, die in korte tijd de hele zaak op stelten zette. Na wat gedronken te hebben begon hij ruzie te zoeken met één van de andere gasten. Die ruzie liep zo hoog op, dat er veel glaswerk sneuvelde. Thijs greep in en zette deze knaap, ene Reijnier Erkens, resoluut buiten de deur. Maar Reijnier pikte dat niet en zon op wraak.

Hij kwam de volgende morgen met getrokken mes terug naar de zaak van Melkert om zijn gram te halen. Matthijs sloot daarop de deur, maar voelde zich niet gerust omdat zijn 24-jarige zwangere vrouw Machteltje Kabel samen met zijn tapper Sander van der Pijl naar de stad was gegaan. En die vrees van Matthijs Melkert was zeer terecht. Want Reijnier Erkens had er kennelijk lucht van gekregen, dat de vrouw van Melkert onderweg was. Hij verschool zich, tussen de Haastrechtse brug en de stal van Jan Voordewind, achter een boom en wachtte zijn kans af.

Toen hij Machteltje en Sander aan zag komen lopen, sprong hij met getrokken mes achter de boom, waar hij op de loer had gelegen, vandaan. Nu zag hij zijn kans schoon om wraak te nemen. Als hij Matthijs niet kon pakken dan maar zijn vrouw of zijn bediende. Onder zwaar gevloek dreigde hij Machteltjes kleren van het lijf te snijden en bedreigde ook haar begeleider Sander van der Pijl, die ijlings de benen nam. Gelukkig kreeg Machteltje hulp van mensen die haar naar huis brachten.

Zeer overstuur door wat er onderweg gebeurd was kwam zij thuis en hoorde daar dat ook haar man bedreigd was door Reijnier Erkens. Uiteraard hebben zij aangifte gedaan van deze laffe daad. Zowel Matthijs, Machteltje als Sander legden onder ede een verklaring af voor de baljuw. Reijnier Erkens werd daarop voor twee jaar uit de stad Gouda verbannen.
 
 

Leendert Huurman

Op 26 juli 1815 vonniste de politierechter over Leendert Huurman, slager te Stolwijkersluis. Het betrof een overtreding van het Wetboek van Strafrecht, artikel 479.8 en 480.5. Wat had hij gedaan? Op 8 juli 1815 om 11 uur had hij een bediende van de stedelijke belastingen bij de Haastrechtse Brug verhinderd een daar passerende vrouw te fouilleren en om 18 uur twee bedienden van de stedelijke belastingen, Frans van Romen en A. van der Swalm, uitgescholden.

Leendert werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 dagen.

Bronnen: Groene Hart Archieven, Nationaal Archief (Politierechter minuut-vonnissen Gouda 1815, aktenummer 72, bladzijde 74)

Sluiswachter, visser en handelaar

Letterlijk onder de rook van de aloude schoorsteen van de voormalige kaarsenfabriek en pal tegenover de historische haveningang die in vroeger jaren het (wel)varend entree naar de Goudse binnenstad vormde, ligt Stolwijkersluis. Een vlek op de kaart maar door zijn gunstige ligging aan breed vaarwater bedrijfseconomisch interessant. Het oogt door de eeuwenlang schurende stroming van de dominante Hollandsche IJssel wat verloren in het lager gelegen polderlandschap van de Krimpenerwaard.

Een reactie op deze serie kwam van Rinus Anker, oud-inwoner en eigenaar van een expeditiebedrijf elders. Hij bleek over een fabelachtig geheugen te beschikken. Hij sleet zijn jeugd in deze kleine leefgemeenschap waarvan aan de rivierkant de horizontale groene strepen het sterk afwisselend wassende en dalende water verraadden.

De bewoners wisten amper zelf waar ze nu eigenlijk toe behoorden. Meer Gouds dan Stolks gevoelsmatig, alhoewel de toen schilderachtige ophaalbrug een barrière vormde met de 'grote stad'. Even wat geschiedkunde: deze oude Haastrechtse brug met bijbehorend tolhuis werd tien jaar na de oorlog afgebroken, nadat de nieuwe brug een jaar eerder was opgeleverd. Tegelijkertijd is toen een plein in de vorm van een mega-rotonde aangelegd. Door toenemend autobezit werd dit de belangrijkste toegangsweg van en naar de Krimpenerwaard. Gouda bleef echter de aantrekkelijkste stad met een oergezelllig koopcentrum. Rinus (van mijnheer wilde hij niets weten), bleek dus een vlotte verteller.

Als ik terugdenk aan het oude Stolwijkersluis word ik overvallen door een storm van opkomende beelden van bedrijvigheid en gezelligheid. Het betrof een homogene samenleving van hardwerkende mensen, die zich geen van allen de tragiek en kritiek van een kleinburgerlijk buurtje aantrokken. Het waren veelal trotse ondernemers die stuk voor stuk goed boerden op deze gunstige locatie aan breed vaarwater.

De vele schippers die eeuwenlang de sluis passeerden, werden zienderogen zeldzamer. De aanvoer over het water van vuilnis uit Rotterdam werd stilgelegd. Dat werd voortaan met vrachtauto's gedaan met het Lekkerkerk-drama als triest sluitstuk. De werf bij de sluis werd later, tot vaders pensionering, opslag voor jachten. Er viel voor ons zóveel te beleven dat we de 'grote stad' niet altijd misten. We voetbalden op het terrein van de Hoge Brugweg bij Houthandel 'De Hoop' en de koffietent van Gerard Rapis. Keken eindeloos hoe schepen gelost en geladen werden. De fabrieken en scheepswerven brachten ieder hun eigen specifieke geuren en geluiden voort. Het dagelijks gefluit van fabrieken dat het einde van werktijden aangaf, zit nog steeds in mijn achterhoofd. Nadat het gehuil verstomd was, scheurden werknemers de poort uit om op de dijk een soort Tour de France te organiseren. Een peloton losgeslagen wielrijders die er een sport van maakten als eerste achter moeders prak te zitten. Al met al leverde het buurtschapje werk aan zo'n 150 arbeiders, dus was het economisch gezien van belang.

Mijn vader was sluiswachter. Zijn leven werd beheerst door opkomend en afgaand getij. Vaak kwamen de schepen pas na een werkdag uit Rotterdam, zodat men in de late namiddag en avond nog eens een tiental schuttingen kon gaan doen. Alles met de hand natuurlijk met hoogteverschillen tussen de twee en vier meter. Als plichtsgetrouw ambtenaar van het hoogheemraadschap, mocht hij naast het bedienen van de sluis ook naar believen 'bijbeunen', wat zelfs officieel in het arbeidscontract was vastgelegd. Iedereen kende hem ook als visser en handelaar. Hij viste voor het 'Goudse Riool', welke smeerpijp toen ongezuiverd op de IJssel loosde. Hij haalde veel snoekvis op, die dan in het weekeinde aan sportvissers werd verkocht die in de polder gingen snoeken. Deze snoek werd dan later weer door hem opgekocht om als delicatesse naar Frankrijk afgevoerd te worden.

Toen het water in de IJssel te slecht werd, werden AOW'ers uit Gouda gecharterd om langs de Goudseweg te vissen. Hun opbrengst werd in café Verkaik of bij kapper De Jong omgezet in drank en sigaren. De vervuiling door de Kaarsenfabriek was de doodsteek voor de lucratieve handel en wandel van de kleine broodvisser. Op zeker moment stonden de schuimbellen permanent in de sluiskolk. Het werd zelfs zó erg dat we een caravan aan de Platteweg huurden om in zomerse vrije dagen aan de stank te ontkomen. De bijverdiensten moesten voortaan uit andere bronnen komen. Een gasfles uit het depot wegbrengen en het aansluiten van gasflessen tot halfweg Gouderak en tot midden Gouda behoorden tot mijn vaste takenpakket. Als kind zag je mij dan ook vaak met een gasfles achterop de bagagedrager of voorop een enorme paal ijs van Scharleman om de snoeken in te bewaren. Mijn bijverdiensten met het zaterdagse klussen werden omgezet in een verwoede hobby van me: miniatuurmodellen. Al mijn geld ging op aan treinaccessoires bij Sliedrecht aan de Lange Tiendeweg of Metaal aan de Zeugstraat.

Ik moest vaak boodschappen doen voor grootmoeder die in de Korte Akkeren een drogisterij bestierde. Met de regelmaat van een klok werd ik er met een lijstje op uitgestuurd om bij bevoorrechte middenstanders boodschappen te doen. Brood bij Radder, chocolaatjes bij Kranendonk, kaas bij Berkenkamp en vlees bij Sprang. Melk werd door Baars langs de deur gebracht alsook groenten en fruit via Hoebeek of Schoonderwoerd. Al met al was ik de halve zaterdag bezig met al die inkopen. De beloning was een zak patat bij Lugthart wiens winkel tegenover die van mijn oma aan de Tollensstraat was gevestigd. Soms werd ik slechts met een zakje dropjes uit oma's eigen nering gehonoreerd. Echte verwennerij was er vroeger niet bij. Oma had graag haar kinderen en kleinkinderen zondags over de vloer. Als Gouda dan had gespeeld en mijn vader van de Nieuwe Vaart kwam, dan waren de voetbalverhalen niet van de lucht.

Mijn ooms, die trouwe ONA-aanhangers en -spelers waren, vlogen bijkans de dwarsliggende tegenpartij in de haren. Wij ontsnapten dan aan die verhitte discussies door ons in de poort bij Kruisinga aan de nieuwste BSA's, Nortons of Java's te vergapen. Als 's avonds de rust was teruggekeerd, togen we wandelend door de schaars verlichte Vorstmanstraat naar ons veilige buurtje achter de sterke, hoge dijk.

Na 1 februari 1953 hadden we over die sterkte van deze kunstmatige richel zo onze twijfels. De doodsangsten veroorzakende dreiging in die noodlottige rampnacht hebben wij als 'riviervolk' daadwerkelijk aangrijpender als de stedeling beleefd. Het dreigend zwarte water stond onze kreunende beschermengel tot aan de lippen. Schuivende waterplaten kwamen en trokken over de rand van de dijk terug. Overspoelden als kleine tsunami's onheilspellend het bestrate wegdek. Telkenmale afgewisseld door een wegbrede golfrimpel. Op het nippertje is de stad in die stormnacht aan een inferno ontsnapt.

Ik ging naar de Burgvlietschool. Vier maal per dag passeerden we lopend het smalle pad langs het benzinestation, het dijktalud op of af, langs het verpleegpaviljoen en het mortuarium van het ziekenhuis naar de Van Itersonlaan en vervolgens de Krugerlaan. Later pakten we de poorten 'binnendoor'. Welk tijdbesparend traject niet zonder gevaar was. Concurrerende, niet bevriende Gouwenaars hadden het in de omgeving van de Cronjéstraat en Pretoriaplein vaak op ons gemunt, wat resulteerde in een flink pak slaag of minimaal kleerscheuren. De scholen in de wijk waren van verschillende zuilen. Daarom splitsten de groepen uit onze buurt zich na de brugoversteek in drie richtingen. De katholieken gingen linksaf richting Spieringstraat met de ongelovigen in hun kielzog die naar de openbare school aan de Groeneweg navigeerden. De altijd het midden houdende christelijken stelden hun kompas trouw af op de Ireneschool en degenen die rechtsaf liepen of fietsten gingen naar de Burgvlietschool. Door het geprezen onderwijs op laatstgenoemde school was er een invasie van leerlingen uit omliggende dorpen. Tot aan Lekkerkerk, Streefkerk, Benthuizen en Oudewater toe. 's Winters met slecht weer zaten de bussen propvol.

De tijd van de bromfiets brak aan. Ik wilde dolgraag zo'n snelheidsmonster. Die motorisering kostte toen echter bergen met geld. Dus al mijn bezittingen ten einde raad geanalyseerd en de hele spoorbaan verkocht aan een handelaar in de Boelekade. Wat een rijkdom om zó te cashen! Ik toog meteen trots met al die rinkelende harde guldens naar Van Leeuwen in de IJssellaan om de order te plaatsen.

De door pa geopende betrekkingen met Indonesië brachten ons weer andere inkomsten. Tabaksmatjes voor verpakkingsdoeleinden, bosjes bamboelatjes voor drainage van voetbalvelden: overal zag mijn energieke vader wel handel in. Samen met pallets voor opslagbedrijven en hout voor waterfornuizen zorgden deze activiteiten er voor dat er altijd burgers, boeren en opkopers op onze werf rondneusden.

Van huis uit waren we echte zwemmers. Door de vervuiling van het IJsselwater werd het ons onmogelijk gemaakt buitengaats te zwemmen. Zelfs de waterkwaliteit van de Stolwijkse Vaart verminderde zienderogen. Vooral mijn zus was een langeafstandszwemster van professioneel kaliber. Zij oefende wat af. Noodgedwongen moesten deze activiteiten in het binnenwater van het Spaardersbad plaatsvinden, waar ook GZC en Donk trainden. Ik vergeet nooit de duels waar het hard aan toe ging en verafgoodde toen spelers als Cabout. Ook Van der Toren, De Wilde en Weck spraken tot je verbeelding.

Mijn snelle brommer bracht mij ook makkelijker bij mijn schoolvriend C. Berkouwer in Stolwijk. Hier werd ik opgenomen in het zwemteam van ZPS. Al polospelend trokken we bepaald niet onverdienstelijk door de gehele kring van de Gouwe-/Rijnstreek. Ik werd coach van pupillen, scheidsrechter en speler van het eerste zevental. Door maatschappelijke verplichtingen moest ik op den duur afhaken, mede omdat het groeiende bedrijf mijn volledige aandacht en energie opeiste. Wat me overigens zeer aan het hart ging. Rest mij nog de vraag waar al mijn leeftijdgenoten gebleven zijn. Hebben ze hun wortels nog wel in het verspreidingsgebied van de krant? Hebben ze gebruik gemaakt van de mogelijkheid door te studeren, wat voor hun ouders ondenkbaar was? Hopelijk lees ik hier meer over in Stadskind.

Bron: AD (Goudsche Courant 1 april 2005)

Wednesday the 20th. Stichting Buurtschap Stolwijkersluis © 2015.